Filosofie
Kinderen reageren in de eerste plaats op hun omgeving.Ze zijn niet vatbaar voor ingewikkelde theorieën en redeneringen. Vooral de ouders/opvoeders dienen als voorbeeld. Dat betekent dat ons gedrag en onze ‘state of mind’ moet kloppen met dat wat we onze kinderen willen leren.
Vertaald naar opvoeding is dat bijvoorbeeld: ‘regels’ stellen = ‘regels’ voorleven. Goed gedrag verwachten van een kind betekent dat je datzelfde goede gedrag eerst zelf voorgeleefd moet hebben. Niet alleen in woorden, maar in feitelijk gedrag (in het voelen en in het ‘zijn’).
Onze aanpak richt zich dan ook niet alleen op het kind, maar op zoveel mogelijk aspecten van de situatie, waarin het kind verkeert.

We hanteren de volgende uitgangspunten:
- Een mens is deel van een grotere omgeving (systeemtheorie).
- We hebben een keuze (er is een vrijheidsfactor).
- Inzicht gaat vooraf aan verandering (op cognitie en gedrag gerichte interventies).
- Kinderen willen serieus genomen worden, op hun niveau
Het komt hoofdzakelijk neer op het vertonen van voorbeeldgedrag door de omgeving van het kind (kinderen zullen het voorbeeldgedrag overnemen) met als doel ‘wenselijk gedrag’ op te roepen. Omgekeerd zou je kunnen zeggen, dat kinderen op een of andere manier het voorbeeldgedrag, dat ze gepresenteerd hebben gekregen, uit-leven. Daarom ook kun je kinderen niet behandelen zonder de hele omgeving van het kind in die verandering te betrekken: je wijzigt ook het voorbeeldgedrag wat het kind gepresenteerd krijgt. Een interventie die begrepen en gedragen wordt door de omgeving is veel effectiever. Belangrijk is echter dat het zoeken naar schuld en oorzaken er nauwelijks toe doet. Wat de oorzaken ook zijn, de omgeving van het kind is de belangrijkste factor in het leven van een kind en daarmee het belangrijkste instrument is om het gedrag van het kind te beïnvloeden.
Baas in eigen hoofd
De term is gebaseerd op de slogan van de dolle mina’s uit de vorige eeuw: baas in eigen buik.
Als we onze teen stoten vinden we dat vervelend. Dat doet pijn. We willen in de eerste plaats dat de pijn stopt. Als dat gelukt is voelen we ons al snel minder vervelend. Het is onze eigen verantwoordelijkheid ons meer of minder vervelend te voelen. Dat doen we dan ook en hiermee bepalen we in zekere zin het ‘weer in ons hoofd’.
Als we iets willen (hebben) en onze zin niet krijgen, voelen we ons vervelend. Nu is het een omstandigheid ‘buiten ons’ die kennelijk van invloed is op ‘het weer in ons hoofd’.
We kunnen nu verschillende dingen doen:
• We kunnen ons willen veranderen en ons gewoon weer goed voelen. (Ik voel me alleen maar beter als ik een nieuwe Mercedes heb. Ik denk de Mercedes weg en voel me beter.)
• We kunnen de buitenwereld veranderen zodat we ons weer goed voelen (ik zorg voor een nieuwe Mercedes)
• We kunnen invloed uitoefenen op andere mensen, zodat die de buitenwereld op zo’n manier veranderen dat ‘het weer in ons hoofd’ enigszins opklaart. (Als jij niet zorgt dat ik een nieuwe Mercedes krijg, zal ik me nooit meer goed voelen.)
Uiteindelijk is het streven steeds dat we ons weer beter/goed voelen.
Aan elk gevoel gaat iets vooraf. Doorgaans houden we ons hier niet mee bezig. Het lijkt alsof het willen ‘uit het niets’ ontstaat en vervolgens voelen we ons pas weer goed als deze innerlijke onbalans weer meer in evenwicht is.
Het ‘baas in eigen hoofd’-programma richt zich op datgene wat vooraf gaat. Ook aan gedrag gaan dingen vooraf. En heel vaak is gedrag bedoeld om ons beter te laten voelen. Het is dus belangrijk op te letten of ons gedrag inderdaad ook die gewenste gevoelsverandering oplevert. Daarom is het belangrijk te kijken wat aan willen/gedrag/innerlijke onbalans vooraf gaat.
Dit ´willen kijken naar wat er vooraf gaat´ gaat uit van een soort welwillende nieuwsgierigheid. Het heeft toch al plaats gevonden en misschien levert het wat op. Op deze manier ´naar binnen kijken´, alsof je een soort innerlijke waarnemer gebruikt, schept de ruimte om de volgende keer eventueel andere beslissingen te nemen (ander gedrag te vertonen).
Als we achterom kijken in gedachten kunnen we zien dat veel van onze beslissingen genomen zijn onder invloed van het toevallige weer in ons hoofd. En dat die beslissingen met ander weer soms ook anders zouden zijn uitgevallen. En juist die beslissingen hebben bepaald wie we nu zijn en waar we ons bevinden. Als we daar meer invloed op willen uitoefenen moeten we de ‘weergod’ in ons eigen hoofd worden: wijzelf bepalen onze state of mind en laten die niet aan anderen of aan toevallige omstandigheden over. Als we er zo over kunnen denken, denken we al een beetje zo.
6 oktober 2009
Arno Boer in ‘t Veld